<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<rss version="2.0"
	xmlns:content="http://purl.org/rss/1.0/modules/content/"
	xmlns:wfw="http://wellformedweb.org/CommentAPI/"
	xmlns:dc="http://purl.org/dc/elements/1.1/"
	xmlns:atom="http://www.w3.org/2005/Atom"
	xmlns:sy="http://purl.org/rss/1.0/modules/syndication/"
	xmlns:slash="http://purl.org/rss/1.0/modules/slash/"
	>

<channel>
	<title>StoryAwards</title>
	<atom:link href="http://verhalen.storyawards.nl/?feed=rss2" rel="self" type="application/rss+xml" />
	<link>http://verhalen.storyawards.nl</link>
	<description>De beste verhalen van StoryAwards</description>
	<lastBuildDate>Thu, 03 May 2012 08:23:21 +0000</lastBuildDate>
	<language>en</language>
	<sy:updatePeriod>hourly</sy:updatePeriod>
	<sy:updateFrequency>1</sy:updateFrequency>
	<generator>http://wordpress.org/?v=3.3.2</generator>
		<item>
		<title>Andere tijden, geen andere tijden door Joram van Dam (22)</title>
		<link>http://verhalen.storyawards.nl/?p=175</link>
		<comments>http://verhalen.storyawards.nl/?p=175#comments</comments>
		<pubDate>Fri, 27 Apr 2012 23:00:54 +0000</pubDate>
		<dc:creator>StoryAwards</dc:creator>
				<category><![CDATA[Andere tijden]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://verhalen.storyawards.nl/?p=175</guid>
		<description><![CDATA[In dit verhaal wordt de gekte beschreven van een jongeman die gek is op de bibliotheek. Op een indringende wijze wordt duidelijk gemaakt hoe deze ‘tic’ van invloed is op zijn leven. Het dagelijkse ritueel komt in staccato-achtige zinnen tot leven. De schrijver is erin geslaagd om de angst van de jongen voor ‘veranderende openingstijden’ [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p><em>In dit verhaal wordt de gekte beschreven van een jongeman die gek is op de bibliotheek. Op een indringende wijze wordt duidelijk gemaakt hoe deze ‘tic’ van invloed is op zijn leven. Het dagelijkse ritueel komt in staccato-achtige zinnen tot leven. De schrijver is erin geslaagd om de angst van de jongen voor ‘veranderende openingstijden’ van de bibliotheek zo geloofwaardig op te tekenen dat je als lezer zelf bang wordt dat de bieb langer of korter open zal zijn. Erg spannend, en helemaal ‘Andere tijden’. </em></p>
<p>&nbsp;</p>
<p>Zeker drie maal per week en soms vaker ging de jongen overdag naar de bibliotheek. Hij nam dan iedere keer precies tien artikelen mee, het maximum dat hij per keer kon lenen. Boeken, films, cd’s en tijdschriften. Meestal waren het willekeurige artikelen die hij zomaar, ogenschijnlijk zonder enige aarzeling, van de planken en uit de rekken pakte. En soms leek het of hij de moeite nam om alleen of voornamelijk die dingen mee te nemen die hij daadwerkelijk leuk vond, maar dat gebeurde niet vaak, omdat hij wist wat hij er mee van plan was.</p>
<p>Als hij zijn artikelen had uitgezocht, verzameld en in zijn tas gedaan, verliet hij direct daarna de bibliotheek en nam hij ze mee naar huis. Eenmaal thuis liet hij de spullen in dezelfde tas zitten als waar hij ze die middag of die ochtend bij zijn bezoek aan de bibliotheek in had gestopt. Hij deed doorgaans niets met de meegenomen artikelen, tenzij er dingen bij zaten die hij wel leuk vond. Als dat zo was dan besteedde hij daar kort aandacht aan als hij daar tijd voor had, maar nooit zo veel tijd en aandacht als hij zou willen, dat kon nu eenmaal niet.</p>
<p>Op dezelfde avond ging de jongen na sluitingstijd terug naar de bibliotheek, alle tien de artikelen die hij die middag of ochtend had opgehaald in dezelfde tas bij zich dragend. De reden dat hij terugging was altijd dezelfde, net als de tijd waarop hij ging, of misschien is het beter om te zeggen, de tijd waarin hij ging. De jongen keerde na het sluiten van de bibliotheek terug om de artikelen die hij die dag had opgehaald weer te retourneren, alle tien. Dat kon omdat de bibliotheek een brievenbus had waardoor geleende artikelen ook na sluitingstijd, en na sluitingstijd alleen, ingeleverd konden worden.</p>
<p>De jongen deed zijn rugtas af, zette deze voor zich op een soort vensterbank neer en ritste hem open. Hij keek even naar boven, zuchtte vervolgens diep en wachtte op het slaan van de kerkklokken, dat was het teken. Hij was er klaar voor en de juiste tijd was daar. Eén voor één haalde hij de artikelen uit zijn rugtas.</p>
<p>Alvorens hij ze definitief door de brievenbus gooide volgde hij een vast stramien, een ritueel bijna. Hij bekeek de artikelen nog even, van voor en van achter en hij liet ze een laatste keer door zijn handen gaan. Bij de boeken liet hij, voor hij ze door de brievenbus gooide, de pagina’s langs zijn vingers glijden. Hij kon niet ontkennen dat hij dat ook deed omdat hij het geluid dat daarbij hoorde en het gevoel dat het aan zijn vingers gaf erg fijn vond. Ook pakte hij het boek bij de twee kaften en hield deze omhoog, zodat de voor- en achterkaft tezamen een horizontaal geheel in zijn handen vormden, de bladzijden er in een bijna haakse hoek onder bungelend. Dit deed hij omdat hij zeker wilde weten dat hij geen boekenleggers, notitieblaadjes, of wat dan ook tussen de bladzijden had laten zitten. Hetzelfde deed hij met de tijdschriften. In het geval van films deed hij het doosje open en keek hij of het schijfje er nog wel goed in zat. Vooral het dichtklikken van die doosjes, twee maal, een maal aan de bovenkant en een maal aan de onderkant, vond hij een fijn gevoel. Om die reden deed hij het soms meerdere keren. Ook de cd-doosjes waren dit lot toebedeeld, alleen opende hij die slechts een maal, want die voelden niet zo lekker als de filmdoosjes deden.</p>
<p>In feite waren dit allemaal zinloze handelingen, want hij gebruikte de artikelen toch nooit, de boeken deed hij nooit open, laat staan dat hij een boekenlegger gebruikte, hetzelfde gold voor de tijdschriften. De films keek hij zelden en ook naar de muziek luisterde hij bijna nooit, maar het was nu eenmaal onderdeel van het ritueel geworden, en zinloos leek het misschien, maar dat was het niet, dus deed hij het. Soms twijfelde hij een moment, zou hij dit artikel niet toch houden om er meer aandacht aan te besteden. Zijn twijfel duurde nimmer lang en hij was tot nu toe altijd consistent geweest in zijn keuze, het artikel gaat terug, door de brievenbus, nu, dat was de afspraak.</p>
<p>Wanneer hij klaar was en alle artikelen door de brievenbus bij de bibliotheek naar binnen had geschoven, bleef hij nog even staan om te zien hoe zijn zojuist ingeleverde artikelen daar in de opvangbak lagen, op elkaar en naast elkaar. Hij glimlachte, goedkeurend en voldaan, alsof de compositie die hij daar voor zich zag, de compositie die hij gecreëerd had, precies lag op de manier zoals hij wilde dat hij zou liggen. Vervolgens keek hij iets omhoog, op een bijna onderdanige manier, zodat hij een schim van zichzelf in de weerspiegeling van de ruit boven de brievenbus en het licht van een lantaarnpaal zag. Een seconde of tien keek hij de jongen in de weerspiegeling, die aan de andere kant van het glas, in de bibliotheek, leek te staan, met een strak en emotieloos gezicht aan, van de goedkeurende blik was niets meer te herkennen. Het leek nu juist of de jongen aan de buitenkant van het raam wachtte op de goedkeuring van de jongen aan de andere kant van het raam van de bibliotheek. Het leek ook alsof hij geconcentreerd luisterde, luisterde naar iets dat uitermate belangrijk voor hem was, voor hem om te horen, bijna alsof hem iets uitgelegd werd. Plotseling veranderde de blik in zijn ogen, alsof hij de goedkeuring had gekregen waar hij op gewacht had. Opgelucht en met een voldaan gevoel draaide hij zich om, hij wist dat het goed was, zij wisten dat het goed was, hij was er wederom in geslaagd. Het was tijd om weer naar huis te gaan.</p>
<p>“Ik verwacht niet dat ze de tijden zullen veranderen hoor, maar vind je het niet veel fijner om je spullen terug te brengen als de bibliotheek nog open is?” Hoe kon ze dit van hem vragen. Wist ze dan niet wat een enorme verantwoordelijkheid hij droeg, dat hij in feite helemaal geen andere keus had. Geschrokken zei de jongen tegen de bibliothecaresse die zojuist naast hem was komen zitten, “nee dat kan niet, dat mag niet! Beloof me dat u dat nooit zult laten gebeuren.” “Maar waarom dan niet”, vroeg de bibliothecaresse. De jongen boog voorover, in de richting van de bibliothecaresse, zodat zijn gezicht zich nu vlak naast dat van haar bevond. Terwijl hij dat deed bewoog hij zijn ogen afwisselend van zijn linker ooghoek naar zijn rechter ooghoek en weer terug, alsof hij zeker wilde weten dat er niemand in de buurt was die kon horen wat hij zou gaan zeggen. “Mevrouw, dit moet ik niet te hard zeggen anders hoort hij mij, maar u moet mij geloven, de tijden zullen pas echt veranderen als jullie de openingstijden veranderen! Dat mag niet van hem…”</p>
<p>De bibliothecaresse ontbrak de jongen, “van wie niet?” “Van de jongen die hier altijd is na sluitingstijd, als ik mijn artikelen terug kom brengen. Dan staat hij hierbinnen, aan de andere kant van het raam. Van hem moet ik dat doen, die spullen ophalen en terugbrengen, volgens zijn bevel, op de juiste manier en op de juiste tijden, zoals afgesproken! Hij is vaak gemeen tegen me en hij commandeert me, maar soms is hij heel aardig. Ook chanteert hij me, hij zegt dat ik er anders in blijf, in deze verschrikkelijke tijd, als ik niet aan zijn eis voldoe. De tijden veranderen zou voor mij dus beteken dat de mijne nooit meer anders zullen worden. En dat wil ik niet, dat wil ik echt niet! Ik hoop dat hij de waarheid spreekt en dat hij, de koning van de tijd, mijn opdrachtgever, die hier woont, de enige die mij kan bevrijden, dit ook zal doen door me toegang te verschaffen tot de andere tijden, de tijden waarin ik vrij zal zijn, vrij van hem en vrij van al het andere!”</p>
<p>“Aha”, zei de bibliothecaresse en ze bewoog van de jongen vandaan, en hij van haar, om hem kort in de ogen te kunnen kijken. Vervolgens wenkte ze hem met een geheimzinnige blik in haar ogen en de jongen boog opnieuw naar haar toe en zij opnieuw naar hem. “Die andere openingstijden, die komen er niet. En ik zal mijn mond houden.” “Gelukkig maar. Ik ben u eeuwig dankbaar, hier zult u geen spijt van krijgen”, besloot de jongen hun korte conversatie.</p>
<p>Opgelucht sloeg hij het boek dicht dat voor hem lag, stopte het bij de negen andere boeken in zijn tas en liep naar buiten. Toen hij buiten was en langs de bibliotheek liep probeerde hij zo onopvallend mogelijk naar het raam van de bibliotheek te kijken, het raam dat boven de brievenbus zat, en toen hij slechts een schim van zijn eigen weerspiegeling opving, net genoeg om zijn ogen te kunnen zien, haalde hij opgelucht adem. Gelukkig maar, dacht de jongen, dit keer was hij alleen.</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://verhalen.storyawards.nl/?feed=rss2&#038;p=175</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Het fotoboek van opa door Joost Vosman (11) &#8211; winnaar 2012 categorie 8 t/m 12 jaar.</title>
		<link>http://verhalen.storyawards.nl/?p=154</link>
		<comments>http://verhalen.storyawards.nl/?p=154#comments</comments>
		<pubDate>Fri, 27 Apr 2012 23:00:53 +0000</pubDate>
		<dc:creator>StoryAwards</dc:creator>
				<category><![CDATA[Andere tijden]]></category>
		<category><![CDATA[Uncategorized]]></category>
		<category><![CDATA[Winnaar 2012]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://verhalen.storyawards.nl/?p=154</guid>
		<description><![CDATA[Het winnende verhaal begint rustig, maar kent mooie perspectief wisselingen naar aanleiding van foto&#8217;s. Het heeft een prima opbouw en is daardoor een mooi &#8216;rond&#8217; generatieverhaal met een kop en een staart. Zelfs zonder een grote spanningsboog weet &#8216;Het fotoboek van opa&#8217; te boeien van begin tot einde. Knap filmisch geschreven.  &#160; Pako fietst door [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p><em>Het winnende verhaal begint rustig, maar kent mooie perspectief wisselingen naar aanleiding van foto&#8217;s. Het heeft een prima opbouw en is daardoor een mooi &#8216;rond&#8217; generatieverhaal met een kop en een staart. Zelfs zonder een grote spanningsboog weet &#8216;Het fotoboek van opa&#8217; te boeien van begin tot einde. Knap filmisch geschreven. </em></p>
<p>&nbsp;</p>
<p>Pako fietst door het platteland. Hij stopt voor een oude boerderij, en zet zijn fiets in de garage. Dan belt hij aan bij een oude deur. De deur is helemaal roestig. Er komt een blaffend hondje aanrennen. En langzaam komt ook Pako’s opa te voorschijn, hij doet de deur open.</p>
<p>‘Hé opa’ zegt Pako, ‘mag ik even binnenkomen?’ ‘Natuurlijk jongen, kom binnen! Ik heb net verse melk warm gemaakt.’ Pako en Hendrik (de opa van Pako) lopen samen de gang in. Totdat Pako een oude boekenkast ziet. Het lijkt net of het ding bijna in elkaar valt. ‘Opa sinds wanneer houd je zo van lezen?’ ‘Ach, ja ik heb de zolder opgeruimd en kwam deze oude boeken tegen. Misschien zit er wat leuks voor jou bij!’ Pako kijkt twijfelend naar de boekenkast. Als de melk op is loopt Pako naar de boekenkast.</p>
<p>Hij pakt een boek maar zet het al gauw weer terug want alle bladzijden vallen uit elkaar. Pako kijkt op de bovenste plank, hij pakt weer een boek, maar ziet dan ergens helemaal achteraan een groot maar ook nog heel boek. Hij pakt het op en slaat een bladzijde om. Hij ziet een foto met daarop een hele hoop mensen om een bedje staan en in dat bedje ligt een pasgeboren baby. ‘Opa!’ Roept Pako vanuit de gang, ‘wie is die baby op de foto?’ ‘Wat zeg je?’ vraagt Hendrik. Pako loopt naar de woonkamer en gaat bij Hendrik aan tafel zitten. ‘Wie is die baby op deze foto?’ ‘O, dat is mijn fotoboek. Die in dat wiegje dat ben ik.’</p>
<p><em>‘En mama, hebben we al een naam?’ ‘ Ja, we noemen hem Hendrik.’ ‘En wanneer komt het geboortekaartje? Want dan kom ik er toch ook op? En waar blijft Bart?’ ‘ Jet! Laat mama maar even met rust’ zegt papa, ‘ze heeft een bevalling achter de rug.’ ‘ Sorry mam’ zegt Jet. En ze loopt met haar vader de kamer uit. Mama glimlacht, ze heeft in haar armen een kleine baby: Hendrik.</em></p>
<p>‘Dus die baby die was jij opa?’ ‘ Ja Pako’ zegt opa, ‘en dat kleine meisje naast mijn wieg was mijn zus, Jet.’ ‘En die jongen daar?’ vraagt Pako. ‘Dat was mijn broer: Bart. Die is overleden toen je klein was.’ Ze bladeren weer een bladzijde om.</p>
<p>Daar zien ze een jonge man voor een groot gebouw waar veel stoom uitkomt.</p>
<p><em>‘Hendrik! Kom hier! Dit is Johan hij zal je hier rondleiden door de fabriek,’ zegt de baas van de grote fabriek. ‘Hallo ik ben dus Johan.’ ‘ Ik ben Hendrik. Wat voor een fabriek is het hier?’ ‘ Een textielfabriek.’ ‘En verdient het een beetje goed?’ ‘ Gaat wel zegt Johan. Dit is dan de plek waar jij moet werken.’ Johan wijst naar een plek achter een grote machine. ‘Ik zal het je wel even uitleggen…’</em></p>
<p>‘Dus die man daar voorop ben jij.’ ‘Ja dat was mijn eerste dag in een oude fabriek.’ ‘En die man naast jou is een collega?’ ‘Ja! Dat is Johan.’ ‘Hoe oud was je daar?’ vraagt Pako. ‘Een jaar of 22, denk ik.’ ‘Staat dit hele fotoboek vol zwart wit foto’s?’ ‘Volgens mij wel! Ik heb er al lang niet meer in gekeken.’ Ze slaan weer een bladzijde om. Daar staat een man in een volledig uniform. ‘Wó! Opa ben jij dat?’</p>
<p><em>Hijgend rent Hendrik het parcours af. ‘Ik kan niet meer’, zegt hij. ‘ Kom op,’ roept zijn coach. ‘Wil je nou militair worden of niet?! Kom op! Harder rennen!’ Hendrik laat zich vallen op de grond. ‘Opstaan’ zegt de coach. ‘Opstaan, slappeling! Je kunt nog eerste worden. De anderen zijn ver achter je! Deze test telt mee voor je uitslag of je naar de oorlog mag of niet. Kom op! Rennen!’ Met zijn laatste stukje energie staat Hendrik op en loopt, loopt. Als hij bij de finish aankomt laat hij zich zakken op de grond. ‘Je hebt het gehaald!’</em></p>
<p>‘Dus je deed een opleiding voor militair?’ vraagt Pako. ‘Ja’ zegt Hendrik. ‘Cool!’ ‘Ja maar het was wel heel erg zwaar!’ ‘En ben je dan ook uitgezonden naar de oorlog?’ Hendrik slaat een bladzijde om daar staat hij met een groot pistool in zijn armen voor een afgebrokkeld huis. Pako kijkt er naar met grote ogen. ‘Wat is dit, opa?’ ‘Ik werd uitgezonden naar de oorlog.’ ‘Vond je dat dan niet hartstikke eng?’ ‘Wel natuurlijk! Bijna had je geen opa meer!’ ‘Wat dan?’</p>
<p><em>‘Kijk uit!’ schreeuwt Hendrik. Er vliegen vliegtuigen boven Nederland. Ze laten bommen vallen op Nederland. Ergens verderop ziet Hendrik een bom uit de lucht vallen. ‘Kijk uit! Weg allemaal!’ Hendrik probeert alle mensen in de buurt weg te halen, maar probeert tegelijkertijd zichzelf ook in veiligheid te brengen. ‘Weg wezen!’ roept hij. De bom komt neer op de grond. Alles word zwart voor Hendrik’s ogen. Als Hendrik wakker wordt ligt hij in het ziekenhuis. Hij voelt zich niet zo lekker. Op zijn hoofd voelt hij verband. Er is vast een steen op zijn hoofd gekomen, denkt hij. Er komt een zuster aan lopen. ‘We hebben hier de uitslag van de operatie.’ Operatie? denkt Hendrik. ‘Allebei je benen zijn flink gekneusd en op je hoofd heb je een flinke beschadiging opgelopen. Misschien kan je ook nog last hebben van een lichte hersenschudding…’</em></p>
<p>‘Wó! Dus eigenlijk kon je nu ook gewoon dood zijn?’ vraagt Pako. ‘Ja’ zegt Hendrik. ‘Gelukkig heb ik er geen last meer van.’ ‘ Weet je er nog iets van?’ ‘Ja ik weet het nog als de dag van gisteren.’ ‘Wat heb je veel meegemaakt zeg, opa.’ Lachend slaat Hendrik de volgende bladzijde om. Daar ziet Pako een man, een vrouw en een kleine baby. En het is een kleurenfoto. ‘Weer een baby?’ vraagt Pako. ‘Ja dat is jou vader. Toen de oorlog voorbij was kon ik voor het eerst mijn kind zien.’ ‘En die vrouw daar?’ ‘Dat is oma!’</p>
<p><em>Op de grindweg komt een auto langsrijden. De auto stop voor een groot landhuis. De man die in de auto zit komt er uitrennen. Hij rent het landhuis in. Daar staat een vrouw op hem te wachten met een kind in haar handen. ‘Hendrik!’ roept de vrouw. ‘Kijk eens!’ Hendrik pakt de baby uit haar handen. ‘Haha voor het eerst zie ik mijn kind!’</em></p>
<p>‘Dus dat is mijn vader?’ Vraagt Pako. ‘Ja, wat was hij toen nog klein hé.’ Samen bladeren ze nog lang door het fotoalbum. Totdat het avond wordt. ‘Opa mag ik bij je slapen?’ ‘Als je je moeder belt wel.’ Even later ligt Pako in bed. Hij bladert door het fotoboek. Ergens aan het eind van het boek ligt er een losse foto. Daar ziet hij zijn vader en zijn moeder, zijn opa en al zijn ooms, tantes, neefjes, nichtjes. En daar tussen in een bedje ligt een klein jongetje. Alle mensen kijken naar het jongentje. En op de achterkant staat een naam en die naam is: Pako.</p>
<p><img class="alignnone size-medium wp-image-156" title="tekening 1.01" src="http://verhalen.storyawards.nl/wp-content/uploads/2012/04/tekening-1.01-212x300.jpg" alt="" width="212" height="300" /></p>
<p>&nbsp;</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://verhalen.storyawards.nl/?feed=rss2&#038;p=154</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Heden of verleden? door Fatiha Panjwani (12)</title>
		<link>http://verhalen.storyawards.nl/?p=169</link>
		<comments>http://verhalen.storyawards.nl/?p=169#comments</comments>
		<pubDate>Fri, 27 Apr 2012 23:00:45 +0000</pubDate>
		<dc:creator>StoryAwards</dc:creator>
				<category><![CDATA[Andere tijden]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://verhalen.storyawards.nl/?p=169</guid>
		<description><![CDATA[Dit is een magisch verhaal met een intrigerende opzet waarin tijden zich door elkaar heen vlechten. Het verhaal is daarnaast ook mooi beeldend beschreven. Bij een zin als &#8216;een stem, als krassende nagels over een krijtbord&#8217; kunnen we ons allemaal iets voorstellen. &#160; “Wie ben jij?” De man voor me antwoordde niet, maar zette een [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p><em>Dit is een magisch verhaal met een intrigerende opzet waarin tijden zich door elkaar heen vlechten. Het verhaal is daarnaast ook mooi beeldend beschreven. Bij een zin als &#8216;een stem, als krassende nagels over een krijtbord&#8217; kunnen we ons allemaal iets voorstellen.</em></p>
<p>&nbsp;</p>
<p>“Wie ben jij?” De man voor me antwoordde niet, maar zette een stap naar voren. Ik schatte hem op een jaar of vijftig, maar de donkere baard en grote kap maakte het moeilijk om zijn gezicht te zien. Het enige wat goed zichtbaar was waren zijn ogen. Priemende ogen, helemaal zwart. Ze straalden rust uit. Hij had me gevolgd sinds ik hier was aangekomen, al had ik dat niet meteen doorgehad. Hier, dat was in de grote kerk van Sevilla, maar hier was de kerk wél afgebouwd. Ondanks het feit dat ik logisch gezien wel in de toekomst moest zijn, bleek dat het tegenovergestelde. Ik was er zeker van dat de man voor me het me kon vertellen. “Waar ben ik?” Hij sprak, maar niet met zijn mond. Het was alsof ik zijn stem hoorde in mijn hoofd: “Je bent hier in een wereld waar de tijd al jaren stil staat.” Zijn stem, als het al een stem was, klonk ijzig, gehard door jaren van verbittering. “Hoe kan het dan dat de kerk af is?” Ik begon me af te vragen of dit niet gewoon een soort droom was. “Er is een magiër in deze wereld, hij beheerst alles. Hij kan zorgen dat bepaalde dingen sneller vooruit gaan dan andere. Deze kerk bijvoorbeeld, hoort niet in deze tijd thuis. Hij komt uit de toekomst, uit 2027, maar de huizen, de taal en de mensen komen allemaal uit het verleden.” Het begon me te duizelen: “Maar welk jaar is het dan? Ik bedoel deze wereld, uit welke tijd komt die?” In mijn hoofd hoorde ik een geluid dat leek op een lach: “Hier is tijd niet belangrijk meer. Wat wel belangrijk is, is dat jij de eerste mens bent die hiernaartoe wordt gehaald. Dit is een teken. Jij bent degene die de magiër moet verslaan.” Alles werd zwart.</p>
<p>Even later werd ik wakker op een koude vloer. De man was verdwenen, voor zover ik kon zien tenminste. Toen hoorde ik de stem, als krassende nagels over een krijtbord, maar tegelijk ook hooghartig: “Wie ben jij, dat je durft om met je rug naar de Almachtige gekeerd te staan?” Ik draaide me rustig om en wat ik daar zag was, op een troon, een oude man. Hij had een lange, grijze baard en gemene ogen die onrustig heen en weer bewogen. “Wat doe ik hier?” Ik klonk zelfverzekerd, maar zo voelde ik me zeker niet. Opeens hoorde ik de ijzige, en inmiddels ook vertrouwde, stem in mijn hoofd. “Vraag niets, zeg niets. Iedere keer dat jij je mond open doet, neemt hij een beetje van je wilskracht weg. Hij is machtig, erg machtig. Maar jij hebt iets wat hij niet heeft, jij bent helemaal hier. Zijn lichaam is hier, maar zijn geest is in het verleden en het voorwerp dat alles bij elkaar houdt is zijn medaillon. Pak dat, open het en hij is gevangen in het verleden.” Ik was zo aandachtig aan het luisteren naar de stem, dat ik in een soort trance was geraakt. Opeens stond de magiër voor me, hij pakte me bij mijn schouders en schudde me heen en weer.</p>
<p>“LUISTER NAAR MIJ ALS IK IETS ZEG, IEDEREEN ZAL LUISTEREN NAAR MIJ, DE GROTE, DE ALMACHTIGE.” Op dat moment kwam er een plan in me op. Ik schudde me los en zei: “Maar natuurlijk luister ik naar u, o Almachtige. Ik ben uw slaaf.” Ik vroeg me af of ik het niet overdreef, maar de magiër keek naar me en zei: “Mooi, je bent in mijn macht.” Op het moment dat hij zich voorover boog om mij omhoog te trekken, pakte ik zijn medaillon en rende weg, overal heen en nergens heen. Ik keek achterom en zag dat de magiër op zijn knieën zat en zag hoe hij langzaamaan verdween.</p>
<p>Opeens stond de man voor me, ik schrok, maar hij keek blij en lachte breeduit. “Je hebt het gedaan. Je hebt de magiër verslagen.” Ik voelde me moe, zo moe: “Mag ik dan nu naar huis?” Hij knikte: “Ja, maar weet wel wat je doet. Ga je hier weg, dan mag je nooit meer terug komen.” Ik knikte en meteen werd alles wazig. Ik werd wakker in mijn eigen bed en ik voelde dat ik nog steeds het medaillon vast had. Ik maakte het open en ik zag de kerk en alle mensen die bevrijd waren…</p>
<p>Dat is nu tien jaar geleden. Ik heb nog steeds niemand verteld wat er gebeurd is, maar ik open het medaillon bijna dagelijks. Soms vraag ik me af hoe het gaat met de man, de kerk en de rare wereld waar heden en verleden door elkaar lopen.</p>
<p>&nbsp;</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://verhalen.storyawards.nl/?feed=rss2&#038;p=169</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Red cap door Yasmin van Dorp (15)</title>
		<link>http://verhalen.storyawards.nl/?p=171</link>
		<comments>http://verhalen.storyawards.nl/?p=171#comments</comments>
		<pubDate>Fri, 27 Apr 2012 23:00:32 +0000</pubDate>
		<dc:creator>StoryAwards</dc:creator>
				<category><![CDATA[Andere tijden]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://verhalen.storyawards.nl/?p=171</guid>
		<description><![CDATA[Voor jouw verhaal heb je een bijzondere locatie gekozen, de omgeving van het Central Park in Manhattan, New York. Dat is een deftige plek die iedereen kent zonder er ooit geweest te zijn. Dat is listig gedaan, want dingen die ergens anders ondenkbaar zijn, zijn in zo’n bijzondere omgeving niet bijzonder, en worden als vanzelfsprekend aangenomen. Als [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p><em>Voor jouw verhaal heb je een bijzondere locatie gekozen, de omgeving van het Central Park in Manhattan, New York. Dat is een deftige plek die iedereen kent zonder er ooit geweest te zijn. </em><em>Dat is listig gedaan, want dingen die ergens anders ondenkbaar zijn, zijn in zo’n bijzondere omgeving niet bijzonder, en worden als vanzelfsprekend aangenomen. </em><em>Als de lezer al een vermoeden heeft waar het verhaal naar toe gaat, dan weet je hem genadeloos af te leiden met de alledaagse scene op de school. Naast de goed gekozen locatie steunt het verhaal op deze subtiel opgebouwde verhaallijn. </em><em>De jury heeft er veel waardering voor hoe je ons, ondanks alle aanwijzingen die je geeft, toch weet af te leiden, zodat de ontknoping van jouw verhaal als een briljante verrassing komt. </em><em>Door de onverwachte ontwikkeling is het verhaal erg grappig, en onderscheidt zich daardoor tussen alle inzendingen van StoryAwards.</em></p>
<p>&nbsp;</p>
<p>Er was eens lang geleden een meisje; Roodkapje. Dat verhaal kent iedereen, toch is dit verhaal anders dan anders.</p>
<p>Dit verhaal gaat over een 17jarige jongen, die samen met zijn moeder woont in de 42nd Street in Manhattan. Wonen in de drukte was voor Justin inmiddels de normaalste zaak van de wereld. Hij zat op American High school en stond ook wel bekend als een van de grootste players van de school. De meiden stonden voor hem in de rij, wat wel logisch was, want met zijn haar net zoals Justin Bieber, zijn Jordans en zijn baseballjack viel hij in de smaak. Zijn beste vriend Matt noemde hem Red Cap (roodkapje) omdat hij altijd een rode pet van de New York Yankees op had. Zonder die pet ging Justin nooit de deur uit. Alleen thuis deed hij zijn pet af want thuis was toch niemand. Zijn moeder had een fulltime baan bij New York magazine en was vaak pas laat thuis. Daarom moest Justin vaak naar zijn zieke oma. Zijn oma had Alzheimer en kon veel dingen niet meer. Omdat Justin’s moeder het te druk had met werk moest Justin koken voor zijn oma. Justin had er een hekel aan, want het was helemaal niet stoer om als jongen naar je oma te gaan. Justin’s oma woonde aan de andere kant van Central Park. Als Justin naar zijn oma wilde, moest hij door het Central Park.</p>
<p>Oma zwaaide hem uit, maar Justin deed net alsof hij het niet zag. Zou ze het merken als ik een avondje niet kwam, dacht Justin. Wat haalde hem elke keer toch weer over om naar zijn oma te gaan? Zou het zijn moeder zijn, die zo goed kon smeken dat je wel ja moest zeggen? Of was hij zelf stiekem fan van zijn oma? Nee, dat laatste in ieder geval niet. Nooit zei ze dankjewel als Justin weer eens had gestofzuigd, of gekookt. In gedachten liep Justin door het donkere Central Park. Veel mensen durfden hier niet meer te komen ’s avonds. Er waren geruchten dat hier wolven zouden zitten die ‘s nachts op jacht gingen. Justin geloofde niet in die verhalen. Toch was hij stiekem blij toen hij thuis de deur achter zich dicht trok. Vanuit de woonkamer klonk muziek en het geluid van het pruttelende koffiezetapparaat. Zijn moeder was thuis. ‘Justin, ben jij dat?’ klonk haar stem vanuit de woonkamer. ‘Yes mom’ antwoordde Justin, hing zijn jas op en ging naar binnen. ‘Hoe was het bij grandma? ‘Goed, ze heeft goed gegeten en ze heeft haar sleutels niet weer in de koelkast gelegd.’ Justin liep meteen naar boven, hij had niet zoveel zin om uitgebreid met zijn moeder over oma te praten en ging slapen.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p>‘Alright guys let’s begin, open your book at page 4 and read the text please’. Justin opende zijn boek, als hij ergens een hekel aan had was het wel geschiedenis. Hij keek om zich heen. Zijn blik viel meteen op Sarah, het mooiste meisje van de klas. Zij had iets wat niemand anders had, de blik in haar ogen en de kuiltjes in haar wangen als ze lachte. Van alle meisjes die hij kon krijgen, wilde hij juist degene die niet in hem geïnteresseerd was. Sarah had iets aparts. Toen Justin jarig was, was ze ook op zijn feest. Ze hadden samen naar de volle maan gekeken maar net op het moment dat de klok 12 uur sloeg, ging Sarah ervandoor. Justin had het nooit begrepen. Inmiddels was Justin zo aan het dagdromen dat hij niet door had dat de leraar boos voor zijn tafel was gaan staan. ‘Naar meisjes kijken mag Justin, zo lang je ze niet aanraakt en je op de les concentreert, begrepen?’ snauwde meneer Petersen terwijl de rest van de klas in lachen uitbarstte.</p>
<p>De rest van de schooldag was vermoeiender dan ooit. Justin was haast te moe om de trappen op te lopen. De schoolbel om 16.00 uur kwam dan ook als een bevrijding en Justin sjokte met alle kracht die hij nog in zijn benen had naar huis. Eenmaal thuis gooide hij zijn pet af, zette zijn lievelingsmuziek van J. Cole op en deed een pizza in de oven. Daar zat hij dan, in zijn eentje aan de tafel met een pizza voor zijn neus. Dat zijn moeder inmiddels nooit meer mee at, was Justin al gewend. Toen hij op de klok keek, schrok hij. Het was al 18.00 uur en hij zou rond die tijd bij oma zijn om voor haar te koken. Hij pakte zijn Eastpak rugzak waar hij een fles wijn en roze koeken in deed .Snel propte hij zijn laatste pizzapunt in zijn mond en rende naar de deur. Net op het moment dat hij de deur dicht wilde doen bedacht hij dat zijn rode pet nog binnen lag. Hij holde weer terug naar binnen, pakte zijn pet en rende door Central Park op weg naar oma.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p>Toen Justin eindelijk bij de Madison Avenue kwam, stond de deur wagenwijd open. Dat is vreemd, deze straat is veel te druk om zomaar je deur open te laten staan dacht Justin en hij ging naar binnen. ‘GRANDMAAA, ARE YOU THERE?’ schreeuwde Justin naar boven, maar zijn oma was nergens te bekennen. Opeens hoorde Justin een pot vallen. Hij rende de keuken in en trok de voorraadkast open. Daar zat zijn oma met in haar hand een vliegenmepper. ‘Oma, ben je helemaal gek geworden?’. ‘Ssshhtt Justin, ze zijn hier’ antwoordde zijn oma. ‘Wie oma?’ ‘Er is hier niemand behalve ik?’ antwoordde Justin terwijl hij voor de zekerheid achter het gordijn keek. ‘Heb je het niet gehoord, de wolven hebben een overval gedaan bij de supermarkt hier tegenover’. Justin zuchtte diep, zijn oma was helemaal doorgedraaid. ‘Oma, er zijn hier geen wolven’ zei Justin terwijl hij zijn oma uit de voorraadkast hielp. Oma’s ogen schoten vol vuur: ‘Jij denkt dat ik gek geworden ben, nou dat ben ik niet’. De rest van de avond zeiden Justin en zijn oma geen woord tegen elkaar. Hij gaf zijn oma de roze koeken die hij meegenomen had, maar de fles wijn hield hij bij zich voor de zekerheid.</p>
<p>Die avond liep Justin terug door Central Park naar huis. Het was anders dan andere avonden, het leek alsof er iets ging gebeuren. Elke 5 minuten keek Justin achter zich, het voelde alsof er iemand achter hem liep maar door het donker was er niets te zien. Er ritselde een tak. Stijf van schrik stond Justin stil. Hoorde hij nou wolvengehuil? Nee dat was onmogelijk, hij begon echt in de verhalen van zijn oude oma te geloven. Hij wilde verder lopen totdat hij bij een struik verderop lichtgevende ogen zag. Justin knipperde met zijn ogen, verbeeldde hij zich dit? Tegen de regels in ging Justin van het pad af. Dit mocht eigenlijk niet van zijn moeder, hij kon zo makkelijk verdwalen. Hij stond voor de struik, de lichtgevende ogen waren weg. Angstig keek Justin om zich heen. Hij hoorde een krakende tak, hij wilde zich omdraaien maar voordat hij het wist sprong een zwart gevaarte op hem af en lag Justin op de grond. Zijn hoofd raakte een steen en hij zag sterretjes voor zijn ogen.</p>
<p>Toen hij wakker werd, zag hij 2 lichtgevende gele ogen boven zich. Hij schrok zich kapot, het zwarte gevaarte was een wolf. De wolf gromde gevaarlijk en liet zijn witte tanden zien. ‘Hemeltjelief, wat heeft u grote ogen wolf’ zei Justin. Tot zijn verbazing antwoordde de wolf: ‘Daar kan ik jou beter mee zien. ‘ Wolf, waarom heeft u zulke grote oren?’ ‘Daar kan ik jou beter mee horen’ zei de Wolf. ‘Wolf, wat heeft u een grote neus’ zei Justin. ‘Daar kan ik jou beter mee ruiken’ antwoordde de wolf weer. Opeens realiseerde Justin dat dit verhaal verdacht veel op het sprookje van roodkapje begon te lijken en dat hij na deze vraag zou worden opgegeten. Toch kon hij het niet laten en stelde de laatste vraag: ‘Wolf, waarom heeft u zo’n grote mond? ‘Omdat ik jou dan beter kan…….. Justin durfde niet te kijken, nu zou hij net als in het beroemde sprookje worden opgegeten. ‘ZOENEN’ zei de wolf en voordat Justin het wist stond hij te zoenen met een wolf. Hij keek in de ogen van de wolf, toen herinnerde hij zich die ogen. Hij herkende ze uit duizenden. De wolf was Sarah, niemand anders kon dezelfde ogen hebben.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p>De volgende dag liepen Sarah en Justin hand in hand naar school. Iedereen keek hen raar aan en niet alleen omdat Sarah en Justin blijkbaar verkering hadden, ook omdat dit de allereerste keer was dat ze Justin zonder pet zagen. Die had hij na die avond in de prullenbak gegooid, anders leek het verhaal wel verdacht veel op Roodkapje.</p>
<p>&nbsp;</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://verhalen.storyawards.nl/?feed=rss2&#038;p=171</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Eén week door Christa Blokhuis (22) &#8211; winnaar 2012 categorie 17 t/m 26 jaar.</title>
		<link>http://verhalen.storyawards.nl/?p=163</link>
		<comments>http://verhalen.storyawards.nl/?p=163#comments</comments>
		<pubDate>Fri, 27 Apr 2012 23:00:22 +0000</pubDate>
		<dc:creator>StoryAwards</dc:creator>
				<category><![CDATA[Andere tijden]]></category>
		<category><![CDATA[Uncategorized]]></category>
		<category><![CDATA[Winnaar 2012]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://verhalen.storyawards.nl/?p=163</guid>
		<description><![CDATA[De zoektocht naar een geliefde van lang geleden krijgt in het verhaal ‘Eén week’ op gevoelige wijze een eerbetoon, met een melodramatisch slot. Het warme klimaat en de spanning van het mogelijk terugvinden van deze grote liefde, worden in gloedvolle bewoordingen weergegeven. Je voelt de zweetdruppels van de voettocht en de pijn in de buik van [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p><em>De zoektocht naar een geliefde van lang geleden krijgt in het verhaal ‘Eén week’ op gevoelige wijze een eerbetoon, met een melodramatisch slot. </em><em>Het warme klimaat en de spanning van het mogelijk terugvinden van deze grote liefde, worden in gloedvolle bewoordingen weergegeven. Je voelt de zweetdruppels van de voettocht en de pijn in de buik van de spanning. In mooie overgangen wordt het liefdesverhaal van toen met de huidige belevenissen verweven. Een opvallend kundige opgebouwd relaas, met een verrassend slot. </em></p>
<p>&nbsp;</p>
<p>Het moet hier ergens zijn. Boven me brandt de zon. Onder me is een stoffige straat met groeven tussen de stenen, waarachter mijn slippers soms blijven haken. In de schaduw van een luifel zit een vrouw. Haar vingers zijn krom en vlechten moeizaam rietstengels tot een mand. Ze knijpt haar ogen samen om me aan te kijken. Ik doe alsof ik haar niet opmerk.</p>
<p>Aan het einde van de straat staat een groep jongens in kleurige zwembroeken en blote basten. Toeristen. Ik probeer ze te negeren, maar één van hen stapt op mij af.</p>
<p>‘Izvinítjè, gdjè z’dies astanovka ávtoboesa?’ [1] – <em>Ik zag er kennelijk uit als een lid van de lokale bevolking. Hij was niet Russisch, wel uit een aangrenzend land. Mijn schouders gingen omhoog en in gebroken Engels vroeg ik hem wat hij bedoelde. In nog slechter Engels maakte hij duidelijk dat zijn auto kapot was en hij met de bus naar huis moest. We glimlachten voorzichtig.</em> – Ik schud van nee en loop verder. In het verlengde van de straat zie ik een paar winkels. Halverwege is een café.</p>
<p>Mijn pas vertraagt. De voorgevel is van een donker kersenhout, gevuld met inkervingen. Mannen die visnetten de kade op slepen en schoepen die tussen pieren door laveren. Ik laat mijn vingertoppen over het hout glijden en houd stil bij de scherpe inkepingen van twee letters. Hoewel vaag kan ik nog steeds CC onderscheiden. Het dikke in mijn keel groeit een beetje.</p>
<p>Bulderend gelach haalt me terug. Aan een rond tafeltje voor het café zitten een paar mannen. De geur van bier hangt om hen heen. Eén man begint een grijns tegen mij. Hij mist een voortand. Dan wijst hij naar de deuropening.</p>
<p>‘Dabró pazjálovitsj.’ [2]</p>
<p>– <em>In drie uur tijd waren we een kilometer over de snelweg gekropen. De acht pilaren van de grenspost kwamen langzaam dichterbij. Aan onze beide zijden werden we vergezeld door meer auto’s met westerlingen. Mama trommelde met haar vingers op het dashboard. In de koffer in de achterbak zat haar likeurtje, in een shampoofles, want de douane mocht het niet vinden. Eenmaal bij de grens liep een man in uniform rondom onze auto. Hij stopte bij papa en gebaarde dat hij het raampje verder moest opendraaien. Alles was in orde en de man heette ons welkom in het land van de zonnebloemen.</em> –</p>
<p>De deur van het café staat open. In één oogopslag zie ik dat het binnen leeg is en loop door.</p>
<p>De straat gaat steeds meer heuvelopwaarts. Mijn T-shirt plakt tegen mijn rug. Ik heb al gauw spijt dat ik niet ben gestopt om wat te drinken. Het is ook eigenlijk siëstatijd.</p>
<p>Bart denkt dat ik op een handdoek aan het strand lig, met een dikke roman in mijn handen en uitzicht op de zwanenbootjes. Hij is alleen de boulevard op, want een paar dagen terug was mijn wandeltempo “te snel” om alles te bekijken. Hem kennende is hij niet voor het einde van de middag terug. Dat geeft mij hopelijk genoeg tijd.</p>
<p>Op een kruispunt tussen twee stegen blijf ik staan. Over de huizen heen kan ik heel ver kijken. De zee markeert de hele horizon, als een veld vol blauwe limonade. Het is vandaag zo helder dat ik de zeilboten aan de andere kant van de baai kan zien liggen. Ook hier heb ik eerder gestaan.</p>
<p>Als ik me weer omdraai naar de steile weg die op me wacht, slaat een duizeling door mijn hoofd. Misschien als ik even rust. Ik zink op de grond in de schaduw van een tuinmuur.</p>
<p>Voetstappen naderen.</p>
<p>‘Sje charasjó s’vámi?’ [3]</p>
<p>– <em>Op mijn blote kuiten zaten zandkorreltjes tussen het kippenvel. Hij lag naast me, zijn arm onder zijn hoofd. De golven kusten lauw en speels onze voeten.</em></p>
<p><em>‘Wat?’</em></p>
<p><em>‘You good?’</em></p>
<p><em>Ik knikte en rolde dichter naar hem toe. Zonnewarmte leek opgeslagen in zijn huid. Ik wilde verdwijnen in zijn omhelzing. Zijn rug kromde zich als de palmbomen verderop.</em> –</p>
<p>De man voor me heeft een gezicht vol lijnen. Zijn handen, die mij overeind helpen, zijn eeltig en getaand. In een kleine winkel verborgen achter een heg leidt hij me naar een schap met waterflessen. Hij knikt goedkeurend als ik mijn portemonnee pak.</p>
<p>Ik bedank hem en stap weer naar buiten. De hitte is als een muur. Maar ik moet doorgaan. Nu is mijn enige kans.</p>
<p>De huizen waar ik voorbij kom zijn groter dan eerst. Sommige hebben voortuinen vol zoetgeurende appelbomen. Het wringt in mijn onderbuik. De omheiningen zijn bekend. Een hoekhuis met een bronzen paard boven de voordeur. Het huis met de ingegooide ramen, waar eerst Serviërs woonden.</p>
<p>Dan zie ik waar ik naar op zoek ben. Een smal huis ingebed tussen een veld met olijfbomen en een garage. Ik loop de tuin in. Op de voordeur hangt een houten bordje waarin iemand letters heeft gegraveerd. “С-е-р.” Dat is alles wat ik van zijn naam heb onthouden.</p>
<p>Wat na veertien jaar nog over is.</p>
<p>Ser en Cynthia.</p>
<p>De luiken voor de ramen zijn dicht. Vanuit een andere straat hoor ik kindergelach komen. Maar hier woont niemand meer.</p>
<p>Vanuit een huis aan de overkant komt een jonge vrouw. In hakkelende zinnen vraag ik haar naar de bewoners. Ze schudt haar hoofd. Ik knik.</p>
<p>‘Do svidánja.’ [4]</p>
<p>– <em>Alsof we elkaar ooit weer zouden zien. In het oosten kleurde de hemel violet. Hij nam me bij de hand, zoals de eerste avond, langs de doolhof van souvenirkramen. Maar nu terug naar de camping.</em></p>
<p><em>Bij mijn oor neuriede hij zachtjes. ‘Nima jajtsja, nima paparosjka, nima njet, nima moloka.’</em></p>
<p><em>Ik wachtte tot zijn silhouet was opgelost en de druk van zijn lippen op de mijne was weggeëbd voordat ik terug mijn tent in ging. </em>–</p>
<p>Het gegons van krekels overstemt het geroezemoes op het strand. Dat hoor ik terwijl ik krampachtig naar de zwanenbootjes staar, want mijn gedachten cirkelen zo hard als een draaiton en ergens in het midden valt mijn hart in kleine schilfers uiteen.</p>
<p>Een eeuwigheid later ploft Bart voor me neer. Hij heeft honger. Al zijn spullen zijn ingepakt.</p>
<p>Ik glimlach op de automatische piloot. We eten in het restaurant dat ik voor het laatst heb bewaard. Mijn ogen houden constant de straat buiten in de gaten.</p>
<p>Bart vraagt of ik het eten wel lekker vindt.</p>
<p>‘Mama wil gewoon graag hier blijven.’</p>
<p>Hij grijnst. Ik voel de geur van zout met zweet in mijn neus dringen. De lachkuiltjes in zijn wangen heeft hij niet van mij. Papa en mama denken dat ze van een zakenman zijn.</p>
<p>Als het echt tijd is om richting het vliegveld te gaan, wenk ik de ober.</p>
<p>‘Ja magoe oplátits?’ [5] – <em>’I pay.’</em></p>
<p><em>Hij schoof mijn stoel aan en gaf me de menukaart. Vis was wat ik zou eten. In half-Engels legde hij uit welke schotel ik moest kiezen. Ik deed mijn ogen dicht en liet mijn vinger op een willekeurig gerecht vallen. Hij schudde zijn hoofd en grijnsde.</em></p>
<p><em>‘You sweet.’</em></p>
<p><em>Daarna pakte hij mijn hand en zei iets waarop ik moest glimlachen, al verstond ik het niet, maar ik durfde niet te vragen wat het betekende. </em>–</p>
<p>In het vliegtuig staar ik naar de bladzijden van een roman. Naast me vertelt Bart over de boulevard. Eettentjes, discotheken, glijbanen. Ik knik alsof ik luister. Dan worden zijn ogen iets groter.</p>
<p>‘Weet je nog dat liedje dat je vroeger altijd voor me zong?’ Hij begint te neuriën. ‘Nima jajtsja, nima paparosjka, nima njet, nima moloka. Ai, ai, ai, ai, nima paparosjka. Ai, ai, ai, nima moloka.’</p>
<p>Ik frons. ‘Wat is daarmee?’ ‘Op de boulevard was een dronken man die dat liedje zong.’</p>
<p>&nbsp;</p>
<p>[1]. Neemt u mij niet kwalijk, waar is hier een bushalte?</p>
<p>[2]. Welkom.</p>
<p>[3]. Alles goed met je?</p>
<p>[4]. Tot ziens.</p>
<p>[5]. Kan ik betalen?</p>
<p><img class="alignnone size-medium wp-image-164" title="tekening 3.01" src="http://verhalen.storyawards.nl/wp-content/uploads/2012/04/tekening-3.01-212x300.jpg" alt="" width="212" height="300" /></p>
<p>&nbsp;</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://verhalen.storyawards.nl/?feed=rss2&#038;p=163</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Verstopt in de Tijddragers door Janneke Terlouw (15)</title>
		<link>http://verhalen.storyawards.nl/?p=173</link>
		<comments>http://verhalen.storyawards.nl/?p=173#comments</comments>
		<pubDate>Fri, 27 Apr 2012 23:00:10 +0000</pubDate>
		<dc:creator>StoryAwards</dc:creator>
				<category><![CDATA[Andere tijden]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://verhalen.storyawards.nl/?p=173</guid>
		<description><![CDATA[Meteen bij het begin van het verhaal neem je ons mee naar een bijzondere, kermisachtige attractie, een kamer waarvan de muren vol hangen met honderden klokken, in allerlei soorten en maten. Jij noemt ze ‘tijddragers’, en dat is terecht omdat ze veel meer zijn dan klokken, ze dragen de hoofdpersoon door de tijd, ze dragen de [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p><em>Meteen bij het begin van het verhaal neem je ons mee naar een bijzondere, kermisachtige attractie, een kamer waarvan de muren vol hangen met honderden klokken, in allerlei soorten en maten. </em><em>Jij noemt ze ‘tijddragers’, en dat is terecht omdat ze veel meer zijn dan klokken, ze dragen de hoofdpersoon door de tijd, ze dragen de beelden uit het verleden naar de hoofdpersoon. </em><em>Een knappe vondst. Als lezer zit je meteen middenin het verhaal, en tegelijk biedt dit jou de kans om in verschillende fragmenten het verhaal te vertellen waar het je eigenlijk om begonnen is. </em><em>In een paar levendige scènes schets je de taferelen uit haar kindertijd waar de hoofdpersoon als door een dikke glazen wand naar kijkt, en zo het geheim van haar eigen leven ontdekt.</em><em>Dat mysterie (dat ik hier niet zal onthullen, maar dat iedereen maar moet lezen in de verhalenbundel) is hoog gegrepen voor een schrijver, maar met de constructie van de tijddragers creëer je de vrijheid om middenin een scene te vallen en er middenin weer uit te gaan. Daardoor hoef je de te zware thematiek niet uit te spinnen, en blijft het verhaal levendig. </em><em>En zo eindigt het verhaal ook, als de kermisbaas je uit de kamer zet, abrupt, maar volkomen geloofwaardig.</em></p>
<p>&nbsp;</p>
<p>Ze draaide een ietwat slordig pirouetje, en nam toen drie zorgvuldige stappen achteruit. Haar hartelijke bruine ogen fonkelden als kerstboomlichtjes, en haar mondhoeken trokken een vreemde vorm. Met zigzag bewegingen vlogen haar ogen over de muren. De muren die honderdtallen tijddragers droegen. En elke keer weer liet zij haar ogen rusten op een ander klokje. Hier stond ze dan, maar waar te beginnen? Welk klokje zou ze als eerste aanraken? Die ronde, donkerblauwe in de hoek, of waagde ze toch haar kans met het bescheiden rode tikkertje aan de andere wand?</p>
<p>Voorzichtig strekte ze haar arm uit en legde haar wijsvinger op een onopvallend geel klokje. Ineens was alles pikzwart. Haar hart nam het ritme van het klokje aan, en ze probeerde zich tevergeefs nog te verzetten tegen de golf van verwarring en angst die over haar heen spoelde.</p>
<p>“Je moet het hebben meegemaakt! Leuk en amusant wat er gebeurt in de tijddragers kamer!” had de man aan de ingang gezegd. Voor een kwartje was het meisje al binnen. En nu leek het alsof ze al zwevend naar beneden werd getrokken, in een duistere put, waar ze niet uit kon klimmen. “Stop! Wat gebeurt er? Ik wil dat het nu stopt!” gilde ze zo hard als ze kon.</p>
<p>Langzaam stopte het vallende gevoel en met een kleine flits was er weer licht. Haar neus merkte op dat lavendel aanwezig was. De soort lavendel waar haar kleertjes vroeger altijd naar hadden geroken. Ze keek in het rond en met een schok realiseerde ze zich waar ze was. Thuis. Het meisje was thuis. Ze wreef kalmpjes over de donzig wit beklede vloer. Met een huppelbeweging stond ze op beide benen en liep ze langzaam naar het indrukwekkende ronde raam. Toen hoorde ze een liefkozende stem, die ze als geen ander herkende. “Mama!” riep ze uit, “Mama jij bent het!” In haar stem was een duidelijke wankeling te horen, maar ook een spoor van geruststelling, nu ze haar moeder in deze beangstigende, verwarrende situatie had aangetroffen. Vluchtig gingen haar ogen over het gelaat van haar moeder, die voor haar stond. Ze sprak geen woord als reactie op haar wanhopige dochter. Het meisje keek haar moeder recht in de ogen aan, en al had deze vrouw de gestalte van haar moeder, er was iets dat niet klopte. Ze droeg de vertrouwde littekens niet. De littekens die ieder mens over de jaren heen langzaam ontwikkelt. Voor haar stond wel degelijk haar moeder, maar met haar haar strak in een knotje, en rood gestifte lippen vol energie en jeugdigheid.</p>
<p>De jonge dame liep met een vaart naar de hoek van de kamer, waar een schamel roze bekleed wiegje stond. Ze strekte haar armen uit en tilde een petieterig baby’tje uit de wieg. Het meisje keek toe en zag hoe haar moeder het kind tegen zich aan drukte. Er stapte een jongeman de kamer binnen, die gespannen in het rond keek. In zijn handen hield hij een dik pak papier. “Ik heb ze Sietske! Alleen nog maar ondertekenen en inleveren en ze is helemaal van ons! Ons eigen kindje, schat, helemaal van ons samen!” riep hij. Het meisje verstijfde. Een overweldigende vloed van misselijkheid en uiterste verwarring kwam over haar heen. Stil keek ze naar de man en de vrouw, die nu samen met het baby’tje aan het spelen waren. Het waren papa en mama. En het kleine kindje? Dat was zij zelf. De woorden kwamen er haast niet uit, maar moeizaam stotterde ze: “Papa wat is dit? Wat moet je ondertekenen en inleveren? Is dit een droom, of misschien een grapje? Papa geef antwoord!” De laatste zin bulderde door de kamer, maar de wiegscene die zich voor haar ogen afspeelde kwam niet tot een eind. Het leek wel, alsof ze haar niet hoorden. In een waas probeerde ze zich in hun richting voor te bewegen, maar langzaam zakte ze weg, terug in de bodemloze kuil. Ze spartelde, maar al voor dat ze iets kon doen, was ze alweer in de kamer vol klokken. Nog half suf van wat er net allemaal was gebeurd, liep ze wanhopig in het rond. Ze moest weten wat haar vader bedoelde met “ondertekenen en inleveren”. Waarom klonk hij zo enthousiast toen hij riep: “Ons eigen kindje, schat, helemaal van ons samen”? Weer zag ze het kleine gele klokje waar het allemaal mee was begonnen.</p>
<p>Snel wreef ze met haar vingers over de gepolijste rand. Niks. Er gebeurde helemaal niks. Ze stond nog steeds in dezelfde kamer en vroeg zich met een klein lachje af waar ze mee bezig was. Zonder ook maar enige twijfel of angst, raakte ze voorzichtig de grote blauwe klok aan die ernaast hing. In dezelfde duizelige bewegingen als voorheen zonk ze weg. Ze deed haar ogen open, en keek nieuwsgierig in het rond. Ze bevond zich nu in een onbekende kamer. De muren waren een raar soort pastelgroen geverfd en in het midden stond een groot eiken bureau. Door een klein raampje, dat ook nog eens half geblindeerd was, kwamen subtiele straaltjes zonlicht naar binnen. Het was er één grote troep, met overal versleten meubilair en gedateerde boeken.</p>
<p>De deur ging met een zwaai open, en een ietwat gezette vrouw liep naar binnen. Achter haar aan, liepen twee jonge mensen. Al snel had het meisje door, dat dit eveneens haar ouders in hun jonge jaren waren. Verbaasd was ze niet toen ze merkte dat ze haar niet konden zien of horen. De dikke dame plofte neer op een klein houten stoeltje, en haar ouders namen tegenover haar plaats. “Koffie?” vroeg ze. “Nee, nee, we blijven niet lang” zei haar vader vluchtig. “Goed, gelijk aan de slag dan maar” reageerde de vrouw met een chagrijnige frons. Aan haar gezicht was af te lezen dat ze een druk en hectisch bestaan leefde. Ze trok de bureaula open, en pakte een geel blad van een stapeltje. Ook pakte ze een rode pen, en begon driftig dingen op te schrijven.</p>
<p>“Goed, hoe oud is het nu?” Ze keek het jonge echtpaar ongeduldig aan. “Ze wordt in november zes jaar oud. Nou ja, we weten het natuurlijk niet precies, maar de dokter dacht dat ze minstens een jaar was toen…” “Ja, ja” onderbrak de dikke mevrouw haar. “De belangrijkste vraag is nu, hebben ze jullie al gevonden?” “Laatst was ik boodschappen doen en ik had haar in de buggy meegenomen. Er liep alsmaar een man met een hoed een paar meter achter ons. We zijn snel met een omweg naar huis gereden. Maar dat was ook de enige keer dat er zoiets is gebeurd” antwoordde haar moeder met een zachte stem. De dikke dame begon van alles en nog wat op te schrijven, en keek toen met een strenge blik naar de mensen die voor haar zaten. “Jullie begrijpen, als ze haar op welke manier dan ook terug krijgen, is het gebeurd. Een paar jaar terug hadden we een vergelijkbaar geval. Ze dachten alles onder controle te hebben en toen was hij op een dag weg. Al zijn kleertjes lagen nog in de kast en zijn buggy stond nog in de kamer. Alleen de maxi cosi, met hem erin was verdwenen. Jullie hebben geen makkelijke taak, maar ze is zoveel waard. Houd ons op de hoogte.” De vrouw kreeg zich met veel moeite uit de veel te kleine stoel gewerkt.</p>
<p>Weer begreep het meisje niet wat zich net voor haar ogen had afgespeeld. Doodsbang was ze, voor de woorden die waren uitgesproken. Ging dit over haar? Ze keek neurotisch van links naar rechts, en probeerde nog één laatste keer oog contact te maken met haar ouders. “Ben ik niet veilig? Help mij! Is er dan niemand die mij kan helpen?” schreeuwde ze uit. Ze wist niet precies voor wie ze de woorden bedoelde, maar ze gilde het uit. Ze gleed langzaam, met haar rug tegen de muur gedrukt, op de grond. Met haar hoofd in haar handen kwam ze opnieuw terecht in de bekende zwarte waas. In gebogen houding arriveerde ze in de kamer met tijddragers.</p>
<p>De deur zwaaide open en een haast griezelig lange man liep naar binnen. In zijn mond had hij een sigaret en zijn ongekamde haren pasten bij zijn stoppelbaardje. Hij droeg een net wat te strakke groene overall, waardoor zijn bierbuikje goed te zien was. “Hé, jij daar! Eruit! Betaald voor tien minuten, en je zit hier al een uur!” Het meisje sprong op en met gebalde vuisten rende ze op hem af. “Jij! Jij akelige gemene man! Wat is dit allemaal? Wie ben jij? Ik haat je! Dit is allemaal jouw schuld, al deze leugens! Jij vieze..” De man stopte het tierende kind met een hand en sprak toen: “Jij wou naar binnen. Vele dingen zitten verborgen in de tijd. Soms, soms is het beter ze niet te weten. En toch, toch blijven mensen verlangen naar de mysterieuze raadsels uit het verleden.”</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://verhalen.storyawards.nl/?feed=rss2&#038;p=173</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Marijke en ik door Jip van der Rest (14) &#8211; winnaar 2012, categorie 13 t/m 16 jaar.</title>
		<link>http://verhalen.storyawards.nl/?p=158</link>
		<comments>http://verhalen.storyawards.nl/?p=158#comments</comments>
		<pubDate>Fri, 27 Apr 2012 23:00:06 +0000</pubDate>
		<dc:creator>StoryAwards</dc:creator>
				<category><![CDATA[Andere tijden]]></category>
		<category><![CDATA[Uncategorized]]></category>
		<category><![CDATA[Winnaar 2012]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://verhalen.storyawards.nl/?p=158</guid>
		<description><![CDATA[Jij hebt het thema ‘Andere tijden’ gebruikt als middel om jouw verhaal vorm te geven. Het is (of lijkt) een heel persoonlijk verhaal, maar je bent niet in de valkuil getrapt om het verhaal te laten ondersneeuwen door heftige emoties of grote woorden. Mooi gedoseerd in 8 korte fragmenten laat je de ik-figuur optrekken met haar [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p><em>Jij hebt het thema ‘Andere tijden’ gebruikt als middel om jouw verhaal vorm te geven. Het is (of lijkt) een heel persoonlijk verhaal, maar je bent niet in de valkuil getrapt om het verhaal te laten ondersneeuwen door heftige emoties of grote woorden. </em><em>Mooi gedoseerd in 8 korte fragmenten laat je de ik-figuur optrekken met haar veel jongere, zieke zusje. Door het verspringen van de seizoenen neem je ons mee door de tijd, in elk fragment licht een herinnering op. </em><em>De gebeurtenissen die je beschrijft zijn klein, alledaags, en juist daardoor is het verhaal erg intiem en heeft het een erg grote zeggingskracht. </em><em>Je laat de lezer heel dichtbij komen in het wereldje van het gezin, je laat ons de emotie meebeleven. Dat is schrijven ! Jij verdient de eerste prijs.</em></p>
<p>&nbsp;</p>
<p>Het was winter. Kleine, witte sneeuwvlokjes dwarrelden door de lucht. Ze bewogen amper, maar als je goed keek, zag je dat er een vast patroon in te ontdekken was. Van links naar rechts, en ze kwamen steeds sneller naar beneden om uiteindelijk zachtjes op de grond te belanden. Het leek net een dikke laag witte watten, je zou er in kunnen springen, dansen, zweven bijna. En twee kleine meisjes deden dat. De één was een stuk ouder dan ander, ze sprong een stuk hoger ook, maar ze hadden alle twee evenveel lol. Ze droegen dikke winterjassen, van die wollen met knoopjes aan de voorkant, maar geen schoenen. Toch leken ze het niet koud te hebben. De sneeuw spatte mee omhoog als ze hand in hand de lucht in sprongen. Ze zeiden niks. Marijke en ik.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p>Het was lente, een paar jaar later. De meisjes waren gegroeid. De kleinste was nu bijna even groot als de grootste. Toch zag de een er veel sterker uit dan de ander, en dat was ook zo. Ze liepen door het bos aan de hand van hun ouders. Het was nog vroeg in de morgen en de opkomende zon zorgde voor een prachtig kleurenpalet. Met de tijd die verstreek, werd het steeds warmer. Plakkerige zweetdruppeltjes drupten over de gezichten van de meisjes. De moeder neuriede zachtjes een bekend liedje uit de top-40. De vader praatte aan een stuk door. De meisjes luisterden naar hem, maar leken niet echt geïnteresseerd. Na een korte tijd liepen de meisjes vooruit. Steeds sneller renden ze langs bloeiende bomen en vertrapte bloempjes. Het zachte mos onder hun voeten was nog vochtig van de ochtendnevel. Een eekhoorn glipte tussen twee hoge bomen door. De meisjes keken met plezier naar de eekhoorn, die even bleef staan, luisterde en er opeens weer vandoor ging. Ze zeiden niks. Marijke en ik.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p>Marijke en ik hebben altijd een goede band gehad. Ze werd geboren toen ik zeven was en sindsdien zijn we onafscheidelijk geweest. Ik houd van haar. We hebben niks nodig om elkaar te begrijpen, daarom is ze meer dan een zus voor mij. Samen hebben we zoveel mooie dingen meegemaakt en we kunnen overal van genieten. Waar het mij niks doet als ik een regenboog zie, kan zij zulke kleine dingen juist heel erg waarderen. Dat is prachtig toch gewoon. Door haar heb ik geleerd om ook van dat soort dingen te houden. Altijd.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p>Het was herfst, datzelfde jaar. De regen druppelde op het raam van de slaapkamer. De meisjes lagen naast elkaar in bed. Ze lazen een boek. Niet hetzelfde boek, maar twee verschillende. Ze voelden elkaars warme lichaampjes. Zo lagen ze een tijdje tegen elkaar aan. Beiden een boek lezend, beiden niks zeggend. De regen was inmiddels opgehouden met tikken en had plaatsgemaakt voor een onzeker zonnetje. Een van de meisjes, de grootste, keek op uit haar boek. Ze keek naar haar zusje, die op dat moment stil naast haar lag. Het zusje begon te trillen en werd lijkbleek. Dat het haar pijn deed, wist het meisje, maar ze deed niks. Ze keken elkaar aan. Ze zeiden niks. Marijke en ik.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p>Marijke is altijd ziek geweest. Ik weet niet anders. Bij haar geboorte heeft ze te weinig zuurstof gekregen. Waardoor ze altijd kleiner en zwakker gebleven is dan ik. Meestal merkte je weinig, ze was alleen wat vaker ziek dan anderen. Af en toe had ze een slechte periode, maar ze knokte zich, zo optimistisch als ze was, er altijd weer hard doorheen. Ik houd van haar zoals ze is. Ik vond het wel heel moeilijk om een zus te hebben, die altijd aandacht nodig heeft. Marijke kon niet naar een gewone school en kon nooit alleen blijven. Soms werd ik heel erg boos, vond ik dat mijn ouders ook eens aan mij moesten denken. Was ik niet ook hun dochter, was ik dan niet net zo belangrijk? Dan werd ik verschrikkelijk boos en was niemand veilig bij mij in de buurt. Ik heb er geen spijt van, al hebben mijn vader en moeder er veel verdriet van gehad, maar ik had het graag anders gewild. Juist omdat ik altijd geweten heb dat Marijke dood zou gaan.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p>Het was zomer, één jaar later. De zon scheen fel, maar niet zo fel dat je constant in de schaduw moest blijven. De twee meisjes hielden zich toch schuil onder de takken van een oude eik. Het ene meisje springtouwde. Ze sprong met hoge sprongen over het snel voorbijkomende touwtje. Het andere meisje telde hardop de sprongen van haar zus. Ze trilde een beetje en raakte buiten adem. Net als haar zus, die lachend naar haar keek. Ze keek lachend terug, vanuit haar rolstoel. Ze zeiden niks. Marijke en ik.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p>Doktoren zeiden het, mijn vader en moeder herhaalden het iedere keer en eigenlijk wist ik het ook wel. Marijke zou binnenkort doodgaan. Net na haar achtste verjaardag ging het langzaam slechter. Op het laatst kon ze niet meer zitten of eten en sliep ze de hele dag. Ik was verschrikkelijk bang voor wat ik zou voelen als ze dood zou gaan. Op een avond kroop ik bij haar in bed. Warme tranen prikten achter mijn ogen. Ik wilde ze verbergen, maar Marijke, mijn zusje Marijke, had het al gezien. Ze vroeg zich af waarom ik moest huilen. “Ik ben bang” zei ik. Ze knikte en zei daarmee dat ze het begreep. Zijzelf was ook wel eens bang. Voor het donker of voor brand of voor spinnen. Ik deed mijn ogen dicht en vertelde dat ik nooit zonder haar zou kunnen en dat ik hoopte dat ze op me zou wachten, waar ze ook zou komen. Marijke luisterde al niet meer. Ze sliep.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p>Diezelfde week is ze overleden. Ik mis haar vreselijk en dat wordt niet steeds minder. Dat wil ik eigenlijk ook niet. Ik wil haar gewoon niet vergeten. Ik wil haar hoge kinderstemmetje niet vergeten, haar mooie ronde gezichtje met die blonde sprieterige haartjes niet en alles wat ik met haar heb meegemaakt niet. Haar leven heeft iets meer dan acht jaar geduurd, maar de liefde voor haar duurt nog lang voort. Hoelang het duurt voor je iemand echt vergeten bent, is een heel ander soort tijd, dan de tijd dat iemand er echt is geweest. Ik weet zeker, dat waar Marijke nu is, ze op mij zal wachten. Want de liefde en de herinnering overwinnen de tijd. Altijd.</p>
<p><img class="alignnone size-medium wp-image-159" title="tekening 2.01" src="http://verhalen.storyawards.nl/wp-content/uploads/2012/04/tekening-2.01-212x300.jpg" alt="" width="212" height="300" /></p>
<p>&nbsp;</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://verhalen.storyawards.nl/?feed=rss2&#038;p=158</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>De test door Yascha van Ekkendonk (12)</title>
		<link>http://verhalen.storyawards.nl/?p=167</link>
		<comments>http://verhalen.storyawards.nl/?p=167#comments</comments>
		<pubDate>Fri, 27 Apr 2012 23:00:02 +0000</pubDate>
		<dc:creator>StoryAwards</dc:creator>
				<category><![CDATA[Andere tijden]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://verhalen.storyawards.nl/?p=167</guid>
		<description><![CDATA[Vanaf het begin grijpt dit verhaal je meteen. De schrijver maakt knap gebruik van contrasten. Bijvoorbeeld het gebruik van grappige namen en beschrijvingen, terwijl het inhoudelijk helemaal niet zo grappig is. Of de breiende oudere vrouw, wat normaliter een schets is van vertrouwen en gezelligheid, maar hier juist totale ongevoeligheid tentoon spreidt. Het slot van het [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p><em>Vanaf het begin grijpt dit verhaal je meteen. De schrijver maakt knap gebruik van contrasten. Bijvoorbeeld het gebruik van grappige namen en beschrijvingen, terwijl het inhoudelijk helemaal niet zo grappig is. Of de breiende oudere vrouw, wat normaliter een schets is van vertrouwen en gezelligheid, maar hier juist totale ongevoeligheid tentoon spreidt. </em><em>Het slot van het verhaal is gedurfd onverwachts.</em></p>
<p>&nbsp;</p>
<p>Xorxo hield zijn adem in toen het licht uit ging. De zenuwen gierden door zijn lichaam. Van schrik had hij niet door dat hij weer ging ademen en dat deed hij kort en rasperig. Xorxo werd banger en banger toen hij in de verte dreunende voetstappen hoorde aankomen. Iedere stap klonk alsof er een vuilnisbakdeksel keihard op de grond terecht kwam en het geluid klonk steeds harder. Toen werd om de hoek een flauw schijnsel zichtbaar. Toen kwam de Wikiwax tevoorschijn. Hij was zeker wel vier meter hoog en twee meter breed. Overal op zijn ’&#8217;lijf’’ zaten kleine lampjes die een blauwachtig licht uitstraalden. Zijn ogen waren ook lichten, maar dan vele malen groter dan de andere lampjes. Ze hadden hem direct in de gaten. Xorxo had zijn ogen wijd opengesperd en als het licht niet uit was geweest had je duidelijk kunnen zien dat hij wit om zijn neus was. Hij werd zo plotseling overvallen door een verlammende angst, dat hij zich niet verroerde toen de Wikiwax zijn eerste klap uitdeelde…</p>
<p>Quinta breidde. Het was een ouderwetse bezigheid die nog maar weinig huisvrouwen kenden, ondanks dat het een warme, veilige sfeer met zich meebracht. ’Jij moet morgen je toelatingsexamen doen.’ Xorxo wist het, maar gaf geen antwoord omdat hij niet wilde laten merken dat hij er als een berg tegen op zag. Toen hij geen antwoord gaf zei Quinta: ’Als je niet slaagt ga je – jammer dan – dood. Weer een zwak, dom mensje minder. Dat is ook goed, want op deze wereld mogen geen stommelingen zijn. Die zouden de aandacht van de perfecte mensen alleen maar afleiden.’ Het klonk gek om uit de mond van zo’n ’&#8217;moeder’’ zulke taal te horen.</p>
<p>Die avond lag Xorxo in bed te piekeren over de test van morgen. Die hield in dat je tegen een robot moest vechten, won je, en was je ook voor de denktest geslaagd, dan mocht je in een van de Grote Steden wonen. Als je niet voor de lichamelijke test slaagde, viel er ook niks over je te beslissen, want dan was je gewoon platgestampt, dubbelgeklapt (of -geknakt), uiteengerukt, of andere gruwelen, kortom, je was gewoon dood. Mooi zo, dachten de meeste mensen dan, weer een imperfect mensje minder (wat ze ook wel eens dachten was: weer een beestje minder, want zo wreed waren ze wel). Als je niet voor de denktest slaagde werd je naar de buitenwijken verbannen waar je moest zien te overleven zonder hulpmiddelen. Niemand die dat overleefde natuurlijk, ze stierven allemaal van de honger of krankzinnigheid, wat weinig voorkwam, maar toch af en toe naar voren trad. Hij piekerde zich suf over hoe de robot eruit zou zien, wat diens strategieën zouden zijn en hoe hij daarop zou moeten reageren. Hij viel pas in slaap toen het in de verte al licht begon te worden.</p>
<p>Xorxo sliep pas net toen hij hardhandig werd wakker geschud. ’Ongelofelijke lapzwans! Luiaard! Je bent al minstens een halfuur te laat voor je toelatingsexamen! Wie slaapt er nou door z’n wekker heen! Druiloor!’ Onder een stortvloed van verwensingen kroop Xorxo zijn bed uit. Na een ellenlange geeuw keek hij in de spiegel en wat hij zag was te erg voor woorden: diepblauwe kringen vertoonden zich onder zijn ogen. Wallen. Het ergste wat je kon overkomen. Maar zelfs na die grote schrik was hij nog niet helemaal wakker. Hij deed de verkeerde tandpasta op zijn tandenborstel en smeerde gel in zijn oren. Xorxo werd ruw het huis uitgewerkt en naar de taxi gedreven. Die kreeg snel wat geld in de handen gestopt en scheurde weg.</p>
<p>Toen hij in de zaal aankwam was die natuurlijk allang leeg. Iedereen was weg en al drie kwartier geleden de kamer uitgegaan. Gedempt hoorde hij het kreunen van de andere kinderen. Hij hoorde een meisje gillen en het gekraak van botten. Het was angstaanjagend om te horen. Een oude man met grijs haar en een bril kwam binnen. Hij zag er serieus uit en keek Xorxo een tikje geïrriteerd aan. ’Zo zo.’ Even was hij stil en toen vervolgde hij: ’Dat is niet zo mooi. Te laat op je eerste écht belangrijke dag.’ Weer was hij even stil. Het was blijkbaar iemand die ervan hield om tussen zinnen lange pauzes te plaatsen. ’Je kunt gaan. Die kan op.’ De man wees naar rechts. Xorxo liep er een beetje twijfelend naartoe. Begon de test hiermee? ’Doorlopen. Je bent al te laat, dus ga het niet nog bonter maken.’ Blijkbaar niet dus.</p>
<p>Al een stuk minder bang voor naderend gevaar om de hoek liep hij door en sloeg af. ’Nummer twaalf.’ Hoorde hij de man nog zeggen. Wat bedoelde die? Terwijl Xorxo zich dat afvroeg liep hij langs de deuren. Hij zag dat op elke deur een groot hangslot zat en grote cijfers op de muren stonden. Naast elke deur één. Al snel kwam hij bij nummer twaalf. Er stond een dame naast de deur die opendeed. Toen Xorxo naar binnen was gelopen deed ze de deur dicht en op slot. En het licht ging uit. Hij was nu klaarwakker. Met wijd opengesperde ogen wachtte Xorxo op het grote moment. Hij voelde dat hij lijkbleek werd toen hij in de verte zware, metaalachtige voetstappen hoorde. Om een hoek zag hij hoe het licht dat de robot uitstraalde snel dichterbij kwam. Toen de Wikiwax verscheen had dat een verlammende uitwerking op Xorxo. Hij drukte zich onwillekeurig tegen de deur en probeerde tevergeefs om die open te krijgen. Het had geen zin. De deur was goed op slot gedaan door de mevrouw die ernaast had gestaan. ’Help! Laat me eruit!’ gilde Xorxo. Zijn stem was hees en schor. De Wikiwax was ondertussen een stuk dichterbij gekomen en zijn hoofd zag eruit als dat van Darth Vader. De rest zag eruit als het lichaam van een supergespierde bodybuilder met een enorme borstkas en brede schouders. De Wikiwax tilde zijn hand op en sloeg toe.</p>
<p>Die eerste klap kwam recht in zijn maag. Xorxo sloeg dubbel en hapte naar adem. De robot wachtte tot hij weer overeind was gekomen en pakte zijn armen beet. Xorxo stribbelde tegen, maar kon niets beginnen tegen de vernietigende kracht van de Wikiwax. Die klapte zijn armen recht omhoog en pakte zijn polsen met één metalige klauw vast. Hij tilde Xorxo op, slingerde hem in het rond (wat ontzettend veel pijn deed en waarbij hij zeker allebei zijn polsen brak) en smeet hem ver weg. Hij kwam erg ongelukkig op zijn kin terecht, brak zijn kaak en kneusde nog een heleboel waarvan ik niet weet hoe het heet. Terwijl de tranen over zijn wangen stroomden hoorde hij hoe de Wikiwax een aanloop nam en op hem sprong. Hij was op slag dood. Hij zweefde weg van de wereld, weg van de Wikiwax en weg van het jaar 2200…</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://verhalen.storyawards.nl/?feed=rss2&#038;p=167</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>De mieren en ik door Pieter van de Walle (18) &#8211; winnaar 2011</title>
		<link>http://verhalen.storyawards.nl/?p=40</link>
		<comments>http://verhalen.storyawards.nl/?p=40#comments</comments>
		<pubDate>Sat, 09 Apr 2011 14:57:40 +0000</pubDate>
		<dc:creator>feike</dc:creator>
				<category><![CDATA[In De Wolken]]></category>
		<category><![CDATA[Uncategorized]]></category>
		<category><![CDATA[Winnaar 2011]]></category>
		<category><![CDATA[Pieter van de Walle]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.storyawards.nl/?p=40</guid>
		<description><![CDATA[Sinds jij wegging, voel ik duizend scheurtjes in mijn lichaam. Kleine barstjes die ontstaan zijn doordat mijn lichaam de aanraking van het jouwe moest missen. Een ruw oppervlak dat veel te lang niet gladgeschuurd is en nu dreigt open te barsten. Onder die scheurtjes zit een nieuwe ik, een man van steen, en die man [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>Sinds jij wegging, voel ik duizend scheurtjes in mijn lichaam. Kleine barstjes die ontstaan zijn doordat mijn lichaam de aanraking van het jouwe moest missen. Een ruw oppervlak dat veel te lang niet gladgeschuurd is en nu dreigt open te barsten. Onder die scheurtjes zit een nieuwe ik, een man van steen, en die man zal tevoorschijn komen wanneer de laatste herinneringen aan jou van me af zijn gepeld. Dan word ik een schild,<br />
zo iemand die zich bij alles heeft neergelegd en zegt dat het voor hem allemaal niet meer hoeft.</p>
<p>Weet je nog, die ene keer toen we in de schaduw van een boom lagen te genieten van de lente, kijkend naar de wolken. Rug op het gras, handen onder het hoofd als een kussen. Weet je dat nog? Ik wees naar de lucht en zei de dingen die ik zag: “Boom, huis, hond, vliegtuig, kindje.” En dan was daar plots jouw gezicht, dat een schaduw over het mijne wierp. Ik zag niets meer van de dingen die ik daarnet had opgenoemd.</p>
<p>Sinds jij wegging, voel ik duizend mieren over mijn lichaam kruipen. In mijn hoofd heeft zich de koningin genesteld, zich voedend op jouw afwezigheid. Haar kinderen kruipen langs mijn haarwortels naar buiten en daar beginnen ze aan een reis over mijn hele lichaam. Mijn ruggengraat is een snelweg. Dat ene plekje tussen je schouderbladen waar je niet bijkan zonder jezelf pijn te doen, daar zitten ze graag. Ze speuren mijn lichaam af op scheurtjes en die wrikken ze dan open met hun tanden. Ze kruipen onder mijn huid, injecteren daar alles met zuur zodat het zou gaan jeuken en dan moet ik krabben, krabben, krabben tot de wondjes open gaan en ik mijn dode huid er zelf af kan pellen. Beetje bij beetje vervel ik, als een reptiel.</p>
<p>Weet je nog, die ene keer toen jij zei dat we later samen daarboven zouden wonen. “Waarboven?” Dan wees je naar de wolken en zei je dat er daar een kasteel op ons stond te wachten.<br />
“Bullshit”, zei ik dan. “Er staan geen kastelen in de wolken.” Er kwam een wolk voorbijdrijven die verdacht veel op twee torens en een poort leek, alsof iemand ons wat duidelijk wilde maken.<br />
Sinds jij wegging, voel ik duizend leegtes. Ik strek mijn handen uit. De plaatsen tussen mijn vingers: leegtes waar jouw vingers zouden moeten passen. Ik kijk naar de lucht en die is paars en kwaad, net als op die dag. Je zei dat er storm zou komen, dat de zwaluwen laag vlogen of<br />
de lucht zuur smaakte of weet ik veel wat. Soms kraamde je echt van die onzin uit. Dan dacht ik: “Mens, hou nou eens even je kop! Zwijg nou eens godverdomme twee seconden met die hippiebullshit van je! Met je kaarsjes en je ‘Ja, horoscopen dat is onzin, maar tarotkaarten zijn wel echt hoor!’ “</p>
<p>God wat was ik dat mens beu! Jaloers, ellendig, verstikkend! Ze had zendertjes in haar hoofd waarmee ze mij vierentwintig uur per dag controleerde en die dingen waren strakker afgesteld dan eender wat in dat slappe lijf van haar. Ik ben godverdomme blij dat iemand daarboven ook heeft opgemerkt wat voor ziekelijk wijf mijn leven kapotmaakte!<br />
Nu voel ik duizend spinnen. De mieren van daarnet hebben een paar extra pootjes gekregen en twee dikke klieren aan hun achterlijf. De sappen gonzen. Ze zijn klaar voor de volgende stap: het maken van een schild rond het afgepelde kwade lichaam. Het voelt alsof iemand stroop om mijn hele lijf smeert. Natte warme zachte stroop, die na verloop van tijd verhardt tot een dikke vettige korst. De massa verstrakt om me heen en is plots niet meer comfortabel, maar verstikkend. Er is te weinig huid om mijn lichaam te bevatten! Ik moet krimpen, krimpen, krimpen tot ik pas in mijn cocon, dan pas zullen de spinnen tot rust komen. Ik kan de buitenwereld niet meer zien. Ik ben moederziel alleen met mijn herinneringen aan jou.</p>
<p>Weet je nog, die keer toen het zo hard stormde? Je zei dat je van het onweer hield. Ik zei dat het gevaarlijk was. Jij zei dat je wou kijken naar de bliksem. Ik zei dat we ons dan snel naar binnen moesten haasten. Jij bedoelde dat je buiten wou blijven.<br />
“Maar dan worden we helemaal nat!” “En dan? Buiten is het veel echter. Van achter de ramen is het alsof je naar een concert op tv kijkt. Daar is niks aan.” Je holde naar de hoogste heuvel die je kon vinden, in het midden van een gebied dat ooit bos was. Nu was het een vlakte, met één uitstekende bult, en daarop wou jij gaan staan in het midden van een onweer. Misschien had ik je moeten tegenhouden.</p>
<p>Ik voel duizend spinnen, nu niet alleen om me heen maar ook in mij. Een lichaam heeft gaten, zo is dat nu eenmaal, en langs die gaten zijn ze binnengedrongen. Er is niets dat ik kan doen. Ik kan zelfs mijn armen niet meer bewegen. De cocon zit zo strak om me heen dat ik moeite heb om te ademen. Mijn hart galmt in mijn slapen. Ik weet niet wat ze juist aan het doen zijn daar vanbinnen, maar het doet pijn. Ze bijten mijn zenuwbanen stuk en verbinden die daarna via hun eigen spinrag met de neuronen die zij kiezen. Zij zijn de poppenmeesters. Zij stomen mijn lichaam klaar voor het grote toneel dat ‘Aanvaarding’ heet. Het voelt telkens alsof iemand een mes door mijn lijf steekt en me daarna pijn doet voelen in lichaamsdelen<br />
die ik helemaal niet heb. De spinnen hebben fantoompijn naar een heel nieuw niveau gebracht. Ze zijn creatief op hun manier. Ze transformeren mij in een wezen dat immuun is voor pijn. Alle pijn. Ik zal een stenen vlinder zijn, wanneer ik eenmaal uit mijn cocon kruip. Weet je nog, die keer toen… wacht, tegen wie heb ik het? Wanneer ik ‘weet je nog’ zeg, wie is dan die ‘je’? Ik doe mijn best om het me te herinneren. Ik heb mensen gekend die aan de beschrijving voldoen. Sommige van die mensen zijn nu dood, allemaal zijn ze vergeten. Onbelangrijk. Beeldhouwwerken in de kelder van het museum.</p>
<p>Ik lag in de schaduw van een boom te genieten van de lente, kijkend naar de wolken. Er was iets met die wolken. Nee, meerdere dingen. Ze doen je dingen vergeten, daar ben ik zeker van. Ze zijn zo vormeloos dat je verbeelding gaat werken en dan neemt die verbeelding de plaats van je echte herinneringen in. Ik knijp mijn ogen tot spleetjes. Ik zie iemand die gegrepen wordt door de bliksem, een tot op de schoenzolen verkoold lichaam. Kan dat? Kan je dat soort beelden herkennen in de lucht, geschreven met de meest vluchtige inkt die er bestaat? Ik knipper met mijn ogen. Het beeld is veranderd: boom, huis, hond, vliegtuig, kindje. Ze slaan zich als een wevende troep spinnen om je heen, die wolken. Een wereld van donsdekens en vergetelheid. Een veilige cocon.</p>
<p>Nee.<br />
Wacht … stop. STOP.<br />
Rewind.<br />
Klik. Goed luisteren nu.<br />
Wij lagen in de schaduw van een boom te genieten van de lente, kijkend naar de wolken.<br />
Wij, de mieren en ik.</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://verhalen.storyawards.nl/?feed=rss2&#038;p=40</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>De dans door Esmay Versteegh (14) &#8211; winnaar 2011</title>
		<link>http://verhalen.storyawards.nl/?p=42</link>
		<comments>http://verhalen.storyawards.nl/?p=42#comments</comments>
		<pubDate>Sat, 09 Apr 2011 13:58:39 +0000</pubDate>
		<dc:creator>feike</dc:creator>
				<category><![CDATA[In De Wolken]]></category>
		<category><![CDATA[Uncategorized]]></category>
		<category><![CDATA[Winnaar 2011]]></category>
		<category><![CDATA[Esmay Versteegh]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.storyawards.nl/?p=42</guid>
		<description><![CDATA[“Ik ben niet bang voor je.” Ik klonk krachtig. Zo voelde ik me ook. Maar ik wist dat er niets van die kracht zou overblijven als ze deze uitdaging aannam. Ze was geluidloos. Ik huiverde niet, rilde niet, draaide me niet om. Ik stond alleen maar. En ik zag haar in mijn verbeelding. Ik zag [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>“Ik ben niet bang voor je.” Ik klonk krachtig. Zo voelde ik me ook. Maar ik wist dat er niets van die kracht zou overblijven als ze deze uitdaging aannam.<br />
Ze was geluidloos. Ik huiverde niet, rilde niet, draaide me niet om. Ik stond alleen maar. En ik zag haar in mijn verbeelding. Ik zag hoe ze gracieus mijn rug naderde. Haar hoofd opgeheven, haar ogen vol plezier. Ze was nu zo dichtbij dat ik haar ademhaling kon horen. Het klonk precies zoals ik me deze vrouw in totaal voorstelde. Beheerst. Zo moest ik me ook voelen. Ik sloot mijn ogen en bracht mijn eigen ademhaling tot een nog lager tempo.<br />
Ik werd uit mijn lichte trance gehaald door een hand op mijn schouder. De aanraking voelde teder, maar de kou van haar huid, die dwars door mijn kleding drong, maakte me bewust van de kilte die in deze vrouw schuilging. Haar ademhaling werd luider en door de verplaatsing van de lucht kon ik opmaken dat ze haar mond geopend had.</p>
<p>“Werkelijk?”, fluisterde ze. Ze greep mijn andere schouder en draaide me om. Ze probeerde<br />
me aan te kijken, maar ik richtte mijn blik op haar lippen. Er rustte een minuscuul lachje op. We bleven een tijdje zo staan, wachtend op een actie van de ander. We wisten allebei dat ik degene zou zijn met het minste geduld. Ik verzette me er niet tegen, liet mijn ogen dwalen. Haar uiterlijk deed me denken aan een witte roos. Kwetsbaar en liefdevol. Was dat maar waar. In schril contrast stonden haar haren. Ze hadden de kleur van pure chocolade. Mijn blik kroop omhoog tot onderaan haar gezicht. Ik zag hoe haar lach verbreedde. Dat bracht me terug naar de werkelijkheid. Ik mocht niet in haar ogen kijken.</p>
<p>“Je bent minder zwak dan ik je had ingeschat.” Ze kwam wat dichterbij. Ik zette een voet naar achteren. Ze lachte hardop. Haar stem was vrij laag. Dreigend. Ik voelde hoe ze de macht overnam.<br />
Dat liet ik niet gebeuren. Ik pakte haar hand en legde mijn andere hand in haar middel. Toen boog ik me naar haar oor. “Ik houd wel van dansen.” Bij wijze van antwoord zette ze haar voet op de plek waar mijn voet had gestaan.<br />
Ik duwde haar zachtjes naar achteren. “Ik leid wel.” Ze lachte nogmaals, maar de dreiging was weg. Ze leek… geamuseerd. “Een wals?”<br />
“Tango.”</p>
<p>Ze danste goed. Ongelooflijk goed. Ik had jaren op stijldansen gezeten. Niet om arrogant te zijn; ik was getalenteerd. Maar zij was geniaal. Ik behield de controle, maar dat was slechts omdat het duidelijk was dat zij minder techniek beheerste dan ik.<br />
Hoewel het een gepassioneerde dans is, de tango, keken we elkaar geen moment aan. Mijn blik was het grootste deel van de tijd op haar sleutelbeenderen gericht. Wat er in mijn hoofd omging – ik weet het simpelweg niet meer. Plotseling ontstond er mist rond ons. Dichte mist. Mijn danspartner werd zelfs wazig. Ik keek naar beneden. Ik kon onze voeten niet meer zien. Onverhoeds schoten mijn gedachten naar het verleden.</p>
<p>“Je moet nooit proberen een wolk te vangen”, had mijn vader me ooit gezegd. Ik was twaalf<br />
jaar geweest. “Een wolk is onbereikbaar. Meestal is hij hoog in de lucht. En als je dan toch de man bent die er levend weet te komen, dan kun je de wolk niet pakken. Hij zal uit je handen glippen.<br />
En zo is het precies met de Dood. De Dood is onbereikbaar. En als je er levend bij weet te komen, zal zij je overmeesteren.”</p>
<p>Plots realiseerde ik me dat ze leidde. Haar hand sloot zich nu krachtig om mijn schouder en haar danspassen werden fermer. Ze had de macht overgenomen. Ik maakte de bewegingen die zij wilde dat ik maakte.<br />
Ik probeerde haar weer bij te sturen, maar het lukte niet. Dit was de prijs voor mijn concentratiegebrek. Toen stond ze stil. Ze glimlachte en streelde mijn wang. Voorzichtig omsloot ze mijn gezicht met haar beide handen. Ze bewoog mijn hoofd omhoog en dwong me haar aan te kijken. Haar ogen hadden de kleur van een wolkenloze hemel.</p>
<p>“Ik ben nooit bang geweest voor de Dood zelf. Ik was altijd bang de Dood in de ogen te kijken.”<br />
Ze wierp haar hoofd naar achteren en lachte om me. Toen bracht ze haar gezicht heel dicht bij het mijne. “Dit zal niet onze laatste ontmoeting zijn voor ik je definitief kom halen.” We knipperden lange tijd geen van beiden. Toch was ik de verliezer. Ze was verdwenen toen ik mijn ogen opende.<br />
Ik had de wolk niet gevangen.</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://verhalen.storyawards.nl/?feed=rss2&#038;p=42</wfw:commentRss>
		<slash:comments>1</slash:comments>
		</item>
	</channel>
</rss>

